Men onderscheidt hier de reacties die dienen om celmateriaal op te bouwen (de bouwstofwisseling of assimilatie ) en de reacties die dienen om energie uit te halen (de bedrijfsstofwisseling of dissimilatie. Voortplanting, ieder organisme kan nakomelingen krijgen, dit is een voorwaarde voor het bestaan van de soort ikkelbaarheid, organismen kunnen reageren op prikkels uit hun omgeving. Dit geldt uiteraard voor plant en dier, maar ook éncellige organismen zijn gevoelig voor prikkels uit hun omgeving. De organische stoffen die in de organismen voorkomen, worden op verschillende wijze opgebouwd. Er zijn organismen die de organische stoffen zelf opbouwen uit anorganische stoffen. Deze organismen noemt men autotroof. Alle planten, algen en enkele bacteriesoorten zijn autotroof.

de afgifte van afvalstoffen. Ook in de cel vinden stofwisselingsreacties plaats.

De kleinste organismen bestaan uit slechts én cel. Grotere organismen bestaan uit enkele tot miljarden cellen. In de natuur zijn de stoffen te verdelen in organische en verliezen anorganische stoffen. Organische stoffen komen alleen in levende organismen en hun dode resten voor. Chemisch bekeken bestaan ze uit een keten van twee of meer c-atomen. Aan deze c-atomen zitten katheter weer andere atomen. Voorbeelden van organische stoffen zijn: eiwitten, koolhydraten (vb, suiker en zetmeel) en vetten. Steenkool, olie, wol en leer zijn afkomstig van organismen en bestaan daardoor ook uit organische stoffen. Anorganische stoffen zijn afkomstig uit de levenloze natuur. Voorbeelden zijn: water, ijzer, koper, zuurstof, ijzerzouten, kalkzouten etc.

Examenopgaven - b2 - thema


Tabel tijd in dagen sterfte in populatie van genotype AdhFAdhF in sterfte in populatie van genotype AdhFAdhS in sterfte in populatie van genotype AdhSAdhS in,00 8,75 10,00 2,50 2,50 6,35 12,50 18,75 25,00 26,25 5,00 8,75 17,50 26,25 52,50 56,25 57,50. Microbiologie houdt zich bezig met de studie van en onderzoek naar micro-organismen. Veel onderzoek speelt zich af op het laboratorium : Met micro-organismen worden die organismen bedoeld, die uitsluitend met behulp strijd van een microscoop of een elektronenmicroscoop te zien zijn. Dat klopt niet helemaal, omdat bijvoorbeeld schimmels, die tot een voor het oog zichtbaar schimmeldek of paddestoel kunnen uitgroeien, ook tot de micro-organismen worden gerekend. Een betere definitie van micro-organismen is: het zijn organismen opgebouwd uit én (1) cel of meerdere cellen waarbij geen of zeer weinig celdifferentiatie optreedt, deze differentiatie betreft altijd de voortplanting of overleving. Micro-organismen hebben vloeibaar dus geen weefsels of organen! Eigenschappen van levende micro-organisem, alle levende (micro)organismen hebben een aantal eigenschappen gemeen:. Cellen, elk organisme is opgebouwd uit én of meer cellen.

Bloedgroepen, hoe zit dat?


Voor het verkrijgen van een grote mate van zekerheid over biologisch ouderschap is een dna-onderzoek nodig. Zie ook artikel : Erfelijke aandoeningen zie ook artikel : Erfelijkheid: Blauwe of bruine ogen? Hieronder kan je de mogelijkheden van de overerving van bloedgroepen bekijken: zie ook artikel : Heb je bloedgroep A: zie ook artikel : Heb je bloedgroep B: zie ook artikel : Heb je bloedgroep AB: zie ook artikel : Heb je bloedgroep O: zie ook. Mensen met het genotype dd of Dd zijn rhesuspositief. Als D niet aanwezig is, dat is als het genotype dd is, is iemand rhesusnegatief. Als twee ouders rhesus-positief zijn betekent dat dat zij als genotype dd of Dd hebben. Als beide ouders het dd- genotype hebben, of een ouder dd en de ander Dd is het kind dus zeker rhesuspositief. Maar ouders kunnen ook allebei het genotype Dd hebben, zij hebben dan weer 25 kans op een rhesusnegatief kind.

bloedgroepen tabel

Zie ook artikel : Rhesusfaktor zie ook artikel : Hemolytische ziekte van de pasgeborene. Overerving van bloedgroepen en rhesusfactor, de genen die de bloedgroep bij iemand bepalen en de genen die de rhesusfactor bepalen werken onafhankelijk van elkaar. Het zijn dus twee aparte systemen. Vereenvoudigd werken deze systemen als volgt: de bloedgroep van iemand wordt bepaald door het zogenaamde. Ieder persoon bezit 2 van deze genen die samen de bloedgroep bepalen, van elke voor ouder krijgen we én gen. De genen a en b zijn even sterk en domineren over het 0- gen.

Iemand met het bloedgroep A (fenotype) heeft als genotype, aa (2 A-genen) of, ao (een a- gen en een 0- gen). Als beide ouders het genotype aa hebben, voor heeft het kind zeker ook bloedgroep A (het krijgt van elke ouder 1 a- gen). Als een ouder een aa- genotype heeft en de andere A0, dan heeft het kind ook bloedgroep a, omdat het van de ouder met aa het dominante a- gen krijgt. Als beide ouders echter bloedgroep A0 hebben, is het mogelijk dat zij een kind krijgen met of bloedgroep A (de kans daarop is 75 maar er is ook een kans van 25 op een andere bloedgroep, namelijk bloedgroep 0 (00). Het kind ontvangt dan van beide ouders het 0- gen.

Bloedgroep : definition of Bloedgroep and synonyms of Bloedgroep (Dutch)

Daarom wordt het bloed voeding van kind een rhesus-negatieve vrouw die zwanger is van een rhesus-positief kind, gecontroleerd op de aanwezigheid op rhesus-antistoffen, ook tijdens de eerste zwangerschap. Het is immers altijd mogelijk dat enkele foetale bloedcellen doorheen de moederkoek lekken en de productie van antistoffen bij de moeder in gang zetten. Na de bevalling van een rhesus-positief kind krijgt de moeder een dosis rhesus-immuunglobuline toegediend (spuit RhoGam ). Dit serum voorkomt dat er rhesus-antistoffen aangemaakt worden en/ afgebroken worden en een volgende zwangerschap onveilig maken. Vindt men reeds rhesusfactor-antistoffen tijdens de zwangerschap, dan zijn er twee mogelijkheden. Of men laat het kind vroeger geboren worden, om te vermijden dat het een ernstige bloedarmoede ontwikkelt. Of men dient het kind een bloedtransfusie toe terwijl het zich nog in de baarmoeder bevindt. Hierdoor wordt tijd gewonnen en blijft de baby in de baarmoeder tot hij levensvatbaar.

bloedgroepen tabel

Schooltv: Bloedgroepen - welke bloedgroepen zijn er?

Zelfs indien beide dezelfde a, b, ab of O-bloedgroep hebben. Tegenwoordig wordt het bloed van donor en ontvanger eerst in het laboratorium gekruist alvorens met een bloedtransfusie toedient. Rhesus en zwangerschap, wanneer een vrouw rhesus-negatief is en haar partner rhesus-positief, dan kan hun kind rhesus-positief bloed hebben. (afhankelijk van het fenotype van de vader : bij dd is de factor 100 postief, bij Dd is de factor 50 positief en 50 negatief.). Tijdens de bevalling komt soms (vooral bij keizersnede en afhaling van de placenta) een beetje bloed (meestal minder dan 0,1 ml)van de baby in de bloedstroom van de moeder terecht. Langs die weg komen de rhesusfactor-antigenen van het kind in aanraking met het rhesus-negatieve bloed van de moeder. Resultaat: de moeder begint antistoffen te maken tegen rhesusfactor. Bij een volgende zwangerschap worden deze antistoffen met het moederlijke bloed meegevoerd doorheen de moederkoek naar de foetus. Is ook dit kind rhesus-positief, dan gaan de antistoffen van de moeder het bloed van het kind vernietigen.

De anderen zijn rhesus-negatief. 85 van de bevolking heeft de rhesusfaktor (rh) en 15 is dus rhesusnegatief. Antigenen, de bloedgroep wordt weergegeven door beide types van antigenen. Bent u bijvoorbeeld A positief, dan dragen uw rode bloedcellen zowel a-antigenen als rhesusfactor. Bent u a negatief dan dragen uw rode bloedcellen a-antigenen maar geen (negatief) rhesusfaktor. De rhesusfactor komt voor bij 85 van de europese bevolking. De overige 15 is rhesus-negatief. Wanneer iemand met rhesus-negatief onderbuik bloed een bloedtransfusie krijgt met rhesus-positief bloed, dan gaat het bloed van de ontvanger antistoffen maken tegen de rhesusfactor en gaat het bloed samenklonteren.

bloedgroepen hashtag on Twitter

In dit artikel, bloedgroepen dossier Er bestaan verschillende bloedgroepen. De bloedgroepen worden bepaald door de bloedgroepantigenen, dit zijn eiwitten op de buitenkant van de rode bloedcellen. Wanneer iemand bloed krijgt dat vreemde bloedgroepantigenen bevat, dan wordt het afweersysteem geactiveerd en komt de productie van antistoffen op gang die het bloed met de lichaamsvreemde antistoffen afbreken. Vier hoofdbloedgroepen, er bestaan vier hoofdbloedgroepen: a, b, o en ab, afhankelijk van de aanwezigheid van a, b, a - en b -antigenen of helemaal gén antigenen (bloedgroep O) op de rode bloedcellen. In België heeft 46 van de bevolking bloedgroep buikje o, 42 bloedgroep a, 9 bloedgroep b en 3 bloedgroep ab, naast. A en b, bestaat er nog een derde antigeen op de oppervlakte van de rode bloedcellen, namelijk de rhesusfactor. Wie rode bloedcellen heeft waarop deze rhesusfactor zit, is rhesus-positief.

Bloedgroepen tabel
Rated 4/5 based on 528 reviews